Als voorproefje hier het inleidende hoofdstuk van mijn nieuwe boek.

Kritisch denken, waar praten we dan over?

Ik begon dit boek te schrijven in november 2015. In Nederland was het een spannende tijd, als je de berichten in de media mocht geloven: er zijn veel vluchtelingen, teveel vinden veel mensen. Een tsunami van vluchtelingen, zeggen sommigen. We kunnen dat niet opvangen, dit zal voor ontwrichting zorgen, zo klinkt de boodschap. Martin Sommer, belangrijk opiniemaker in de Volkskrant, verzucht dat Europa te klein is en de wereld te groot om al die vluchtelingen op te nemen. Er zijn rellen, een fractievoorzitter krijgt een kogelbrief, mensen zijn bang. Zelfs de Europese Unie staat onder druk, zegt Frans Timmermans.
Victor Orban, de Hongaarse premier waarschuwde in september dat Europeanen een minderheid worden op hun eigen continent. Kortom, somberheid en veel gedoe…
Maar wat waren de feiten. Je hoorde ze eigenlijk niet in het nieuws…

Als je de situatie van november 2015 vergelijkt met de vluchtelingentoestroom in het begin van de jaren negentig (voor de vergeetachtigen: dat was de tijd van de Balkanoorlogen) blijkt dat het aantal vluchtelingen in Nederland toen aanzienlijk groter was dan nu.
In 2014 waren er in Nederland 24.500 asielaanvragen. In de jaren negentig waren dat er gemiddeld 35.000 per jaar met een piek in 1993 van 52.000. In de jaren 2000 tot 2010 waren het er 16.000 en sinds 2011 zijn het er 20.000.
En ook nog even dit: ruim vier miljoen Syriërs zitten in Turkije, Libanon en Jordanië. Ongeveer 270.000 vluchtelingen zijn in Europa aangekomen. Op de totale Europese bevolking is dat ongeveer 0,05 procent, dat is 1 twintigste van 1 procent en dat geldt voor heel Europa . Je kunt het ook nog zo zeggen: één asielzoeker op 1900 Europeanen. Hoe kan dat nou, dat de feiten die ik hier opsom zo tegengesteld zijn aan wat veel mensen geloven, dat waar is en ons de hele dag verteld wordt? Dat heeft te maken met een gebrek aan kritisch denken.

Kritisch denken staat in de belangstelling. Het wordt genoemd als belangrijkste ‘21st century skill’. (Marzano & Heflebower, 2012) Het is nu blijkbaar meer nodig dan ooit. Dat komt omdat we leven in een kennismaatschappij en onze economie wordt gekenschetst als een kenniseconomie. We moeten ons dus afvragen wat kennis is en hoe we met kennis omgaan. Er komt onwaarschijnlijk veel informatie op ons af en dat gaat ook nog eens op topsnelheid. Het vraagt nogal wat van je om daar rustig en overwogen mee om te gaan. De neiging om de andere kant op te kijken of je kop in het zand te steken is dus wel begrijpelijk. Niet doen! Veel informatie tot je nemen is daarbij niet de belangrijkste prioriteit. Wel is het belangrijk om een antwoord vinden op de vraag: hoe gaan we actief met kennis om, hoe verwerken we informatie, hoe beoordelen we, hoe wegen we af, hoe stellen we prioriteiten? In het onderwijs wordt aarzelend een begin gemaakt met deze andere manier van omgaan met informatie. Leren wordt steeds meer begrepen als leren denken en leren onderzoeken.

Een onderzoekende houding
Het woord ‘kritisch’ wordt vaak verbonden met kritiek en voor veel mensen heeft dat een negatieve bijklank. Kritische mensen worden dan neergezet als azijnpissers of ze hebben altijd wat te zeuren, of ‘het is nooit goed’. Klassieke voorbeelden zijn Statler en Waldorf, de twee bromberen uit de Muppet Show. Ze zijn het cliché van kritiek geworden en, hoewel de meeste mensen ze erg grappig vinden, ze worden nooit serieus genomen. Dat is dus alvast een punt om op te letten: je moet als kritisch denker niet een drammer worden. Geen mens die je dan nog serieus neemt.
Maar inderdaad, het woord kritisch komt van kritiek. Dat woord heeft oorspronkelijk echter helemaal geen negatieve betekenis. Kritiek is afkomstig van het Griekse woord ‘krinein’ en dat betekent beslissen. Dat kun je beschrijven als: iets niet in het vage houden, maar uitzoeken hoe het zit. Dan gaat het om een onderzoekende houding. Je wilt weten hoe iets in elkaar steekt, je zoekt naar redenen en bewijzen. Het gaat eigenlijk dus niet om een oordeel bij kritiek en kritisch denken, het gaat om een zoektocht naar de waarheid. Het gaat om het vinden van criteria en goede argumenten voor waarheid.
Kritische denkers houden niet zo van aannames. ‘God bestaat’ of ‘meisjes zijn intelligenter dan jongens’, het zijn uitspraken die onderzocht moeten worden. Kritische denkers spitsen ook altijd hun oren bij een uitspraak als: ‘Ik ben ervan overtuigd, dat…’. Meestal volgt er dan een aanname. Dan wordt het dus hoog tijd voor kritisch denken. Een kritische houding kun je herkennen. Dit zijn de eigenschappen:
– ik wil actief op zoek naar bewijzen van wat daar wordt gezegd.
– ik wil de begrippen die ik gebruik helder definiëren, zodat de anderen begrijpen wat ik ergens onder versta.
– ik sta open voor ideeën en suggesties van anderen.
– ik wil vragen stellen bij mijn eigen overtuigingen en aannames.
– ik wil mijn oordeel uitstellen.
– ik ben bereid te luisteren.
– ik wil gewoontes ontwikkelen om problemen op te lossen.
– ik vind het de moeite waard om dichter bij de waarheid te komen.
– ik vind het de moeite waard om helder te spreken.

De onkritische denker daarentegen ziet er zo uit…….
– ik ben eigenlijk niet geïnteresseerd, omdat mijn ideeën vooraf al beter zijn. Ze zijn immers van mij.
– ik hoef niet te weten wat de redenen van een ander zijn, omdat ik de oorzaken allang ‘weet’.
– ik vertrouw sommige mensen wel en de elite in ieder geval niet… Die zorgt alleen voor zichzelf.

Kritisch denken is voor iedereen toegankelijk en je kunt het ook overal gebruiken. Of je nu een krantenlezer bent, student of iemand die houdt van een goed gesprek, met kritisch denken kom je verder. Dat komt omdat het een onderzoeksvaardigheid is, die gericht is op dichterbij de waarheid komen. Kritisch denken is er altijd op uit boven het niveau van meningen uit te komen. Iets bij een mening houden leidt tot een merkwaardige soort tolerantie, die je heel vaak tegenkomt. Dat gaat ongeveer als volgt. Ik heb een mening en die vertel ik aan jou. Jij hebt een heel andere mening. En dan gebeurt het volgende. Met een beroep op de vrijheid van meningsuiting zeg jij dan tegen mij: nou ja, zo denk jij erover, ik denk er anders over. Respect voor je mening, of ieder zijn mening (en bij jezelf denk je stiekem: ik heb toch gelijk…). Einde gesprek: we agree to disagree. Ik vind dat eigenlijk een vorm van denkluiheid. In plaats van samen op onderzoek uit te gaan en goed te kijken wie de beste argumenten heeft en wat de feiten zijn, doen we een beroep op vrijheid, maar wat voor vrijheid is dat? En nog los daarvan, het gaat bij kritisch denken niet om gelijk krijgen. Door onderzoek toe te laten tot het gesprek, krijg je alleen maar meer inzicht. Dan is het ook de moeite waard er je best voor te doen.

Nieuwsgierigheid
Kritische denkers stellen eigenlijk steeds één vraag: waarom zou ik aannemen, dat iets waar is? Waarom zou ik iets geloven? Ze zijn nieuwsgierig en hebben een onderzoekende houding. Eigenlijk lijken kritische denkers wel een beetje op kleuters, die hardnekkig blijven vragen waarom iets is zoals het is. Ze willen het naadje van de kous weten. En vragen dus door. Voor kritisch denken moet je onderzoeken wel een beetje leuk vinden. En je hebt kritisch denken vaak nodig. Zoals in het voorbeeld hierboven: ga je maar eens verdiepen in de lotgevallen van de vluchtelingen en je weet niet wat je tegenkomt, de onzin, de stemmingmakerij, de knollen voor citroenen en ook de framing. Dat gaat bijvoorbeeld zo: ‘o, die Meijlink met zijn verhaal en zijn cijfertjes, moet je mee oppassen, die heeft gestudeerd, hoort vast bij de elite, moet je niet geloven…’. Door de boodschapper op een bepaalde manier te ‘framen’ (je weet toch hoe in de ‘elite’ gepraat wordt…) maak je de boodschap verdacht en ga je gemakshalve om de feiten heen.
Niet alleen bij het volgen van nieuws is kritisch denken nodig. Ook als je zoekt op het internet, moet je leren bronnen die informatie geven te onderscheiden. Je moet leren beoordelen wanneer bronnen beter zijn dan andere. Kritische denkers zoeken naar de sterkst mogelijke bron. Je hebt kritisch denken dus nodig bij het beoordelen van informatie. Maar je gebruikt het ook om zelf een goed verhaal te houden. Kritisch denken houdt je hoofd helder. Je kunt kritisch denken dus gebruiken om je eigen ideeën onder de loep te nemen: kloppen mijn meningen wel? Zijn ze onderbouwd en zit mijn redenering goed in elkaar?
Kritisch denken kun je ook helder denken noemen. Het streeft naar doorzichtigheid, het wil transparant en navolgbaar zijn. Je spoort je eigen blinde vlekken en vooroordelen op. Door kritisch denken ga je dingen beter doen omdat je weloverwogen beslissingen leert nemen. Misschien niet de perfecte beslissingen, maar wel de beste die je kon bedenken. Je gaat rustiger denken en je gaat beter luisteren naar wat een ander zegt en omdat je denkt, houd je je mond even en… geef je een ander ruimte om zijn verhaal te vertellen. En je kunt weloverwogen op dat andere verhaal reageren. Je roept namelijk niet wat gelijk in je opkomt (de eerste reactie is echt bijna nooit de beste!). Je onderzoekt ook, of je intuïtie klopt en als dat niet het geval is, leer je te ‘durven’, leer je ‘moedig’ te zijn: wat je zo comfortabel vond om te denken, durf je bij te stellen. Kritisch denken kan je bevrijden van spoken, denkbeelden en overtuigingen die je in de weg zitten. Kritisch denken maakt je vrijer.

Drie wijze oude bronnen
Het is te simpel om kritisch denken alleen te verbinden aan de 21ste eeuw. Het pleidooi voor kritisch denken is al heel oud. Zolang mensen denken bestaat ook nieuwsgierigheid. Mensen willen weten hoe de wereld in elkaar steekt. En de volgende stap is natuurlijk, dat ze ook willen weten wat waar is. De geschiedenis van de mensheid is dus ook het verhaal van de ontwikkeling van kritisch denken. In dit boek kom je regelmatig belangrijke kritische denkers tegen uit de geschiedenis. De eerste die ik je voorstel is Bertrand Russell. Hij zegt verstandige dingen over de tijd waarin jij en ik leven. Op YouTube kun je een filmpje vinden waarin Russell een advies geeft aan toekomstige generaties . Het is een stukje uit een interview met deze verklaarde kritische denker en één van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw. Het fragment komt uit een BBC-interview uit 1959. De interviewer vraagt wat Russell als boodschap zou willen meegeven, als het filmpje, dat ze nu aan het maken zijn, eeuwen later als een soort ‘dode zee rol’, dus als een archeologische vondst, zou worden gevonden. ‘Wat heeft u van het leven geleerd en wat wilt u meegeven aan zo’n toekomstige generatie?’, vraagt de journalist. De oude baas antwoordt dan het volgende: ‘Ik zou graag twee dingen willen zeggen, één intellectueel en één moreel. Het intellectuele ding dat ik zou willen zeggen is dit: als je iets bestudeert of je denkt na over een filosofie, vraag jezelf dan slechts één ding af: wat zijn de feiten? Laat je niet afleiden door wat je graag zou willen geloven of door wat misschien wel voordeel zou opleveren als iedereen het zou geloven. Kijk alleen en grondig naar wat de feiten zijn. Het morele ding dat ik zou willen zeggen tegen hen is heel simpel. Ik zou zeggen: liefde is wijs en haat is dwaas. In onze wereld, die steeds meer een netwerk wordt, moeten we leren elkaar te tolereren, we zullen moeten leren te leven met het feit, dat sommige mensen dingen zeggen, die we niet graag horen. We kunnen alleen maar samenleven op zó’n manier. Als we niet willen ‘samensterven’ moeten we een soort mildheid en tolerantie leren, die absoluut vitaal is voor de voortzetting van het menselijk leven op deze planeet.’
Bertrand Russell geeft twee antwoorden, een intellectueel en een moreel. Het eerste antwoord is een pleidooi voor kritisch denken. Daar zal dit boek over gaan. Het tweede is een oproep tot mildheid en tolerantie. Dat lijkt heel wat anders, en toch hebben de twee antwoorden veel met elkaar te maken. Russells nadruk op onderzoek naar de feiten is een pleidooi om te komen tot dat wat we kunnen delen, tot wat we samen kunnen weten, tot gemeenschappelijkheid. En dat betekent letterlijk het vormen van een gemeenschap. Maar Russell weet maar al te goed, dat mensen ook onvoorspelbaar zijn en zich door emoties laten sturen. Dat betekent dat we moeten oefenen in tolerantie, in mild omgaan met mensen die hele andere dingen zeggen dan wij willen. Russell is kritisch denker genoeg om te weten, dat tolerantie daarom de enige optie is voor overleven. We gaan niet terug naar de oertijd, niet de berenvellen weer aan en de knuppels uit de kast om daarmee de anderen te overtuigen van ons gelijk. Russell was een rationele pacifist met zijn pleidooi voor liefde.
Het ‘morele ding’ definieer ik voorlopig maar even zo: iets wat we gemeenschappelijk hebben, namelijk dat we met elkaar deel uitmaken van één wereld. Dat bindt ons, dat we met elkaar vormgeven aan de wereld, waar we ook met elkaar in willen wonen. Bij de zoektocht naar wijsheid en waarheid mogen we nooit die verbinding vergeten. We bestaan alleen met al die anderen. En iedereen heeft gelijk recht op een goed leven in dat geheel.

Kritisch denken is niet alleen belangrijk, het is ook leuk. Als je me vraagt: waarom zou ik me bezighouden met kritisch denken is mijn antwoord: je krijgt er een mooier leven door. Je leert denkgewoontes ontwikkelen, die je helpen bij een probleem oplossen, je komt eigenlijk dichter bij de waarheid, je verrijkt daarmee je leven.
Wat ik hier zeg is eigenlijk al een heel oud inzicht. Ik neem je even mee naar de tweede oude bron, ongeveer 300 jaar voor het begin van onze jaartelling en ik laat je kennis maken met de filosoof Epicurus (341-271 voor Christus). Hij is vooral bekend als de filosoof, die een pleidooi hield voor een leven van lust en dat begreep hij dan als een leven, waarbij gestreefd wordt naar het vermijden van pijn. En nu komt het, hij definieert zo’n lustvol leven eerst als dat wat het niet is:
‘Het gelukkige leven komt niet tot stand door drinkgelagen en onafgebroken feesten, noch door het genieten van jongens en vrouwen, of het eten van vissen of andere spijzen die de rijk voorziene tafel biedt, maar door nuchter denken dat de ongegronde meningen uitbant waardoor de groots mogelijke onrust zich van onze geest meester maakt’ (Epicurus, 1998).
Het alternatief voor een gelukkig leven is een leven, dat onze geest onrustig maakt. En Epicurus heeft daarbij een boodschap, die misschien een beetje onwelkom is en niet zo lekker past bij onze tijd. Hij zou vermoedelijk vragen stellen bij zaken als consumentisme, koopkracht, marketing en gemak. Want deze zaken creëren behoeftes, die er eerst niet waren en nu wel vervuld moeten worden. Dat leidt tot een onrustig leven. Nuchter denken helpt daartegen.

De derde bron is van nog iets vroegere datum, de Boeddha. Wat ik met je wil delen komt uit de Dhammapadha, een verzameling verzen en spreuken die gedateerd worden tussen 2500 en 2800 jaar geleden. Het is een verzameling uitspraken die wordt toegeschreven aan de Boeddha en die vermoedelijk een rol speelden in het toegankelijk maken van zijn gedachtengoed voor leken. Daardoor is het een begrijpelijke tekst. Een onderdeel van de Dhammapada zijn de tweelingverzen en het eerste tweelingvers gaat over denken. Het is de opening, waarmee de toon wordt gezet: ‘Alles wat wij zijn is het resultaat van onze gedachten. Alles vindt zijn oorsprong in onze gedachten. Als iemand spreekt of handelt met kwade gedachten, volgt daaruit lijden, dat hem volgt zoals het karrewiel de hoef van de os volgt. Als iemand spreekt of handelt met zuivere gedachten volgt daaruit geluk dat daardoor is veroorzaakt zoals iemands schaduw die hem nooit verlaat.’ Je ziet dat het pleidooi voor zorgvuldig denken feitelijk zo oud is als de geschiedenis van mensen. Je ziet ook bij alle drie de bronnen dat kritisch (en zoals de Boeddha dat noemt: zuiver) denken wordt verbonden met geluk, met een goed leven.

Het intellectuele en het morele: kritisch denken en ethiek
Het verbinden van kritisch denken met een goed leven kan betekenen dat mensen elkaar opzoeken in het debat en niet slechts hun mening over de schutting schreeuwen.
Verschillen van mening hoef je nooit uit de weg te gaan, je kan (en moet) er open over debatteren, maar je hoeft elkaar niet voor rotte vis uit maken, of, nog erger, de ander te ontkennen. Wijsheid (en daar streeft kritisch denken naar) maakt mensen milder. Wijsheid maakt mensen ‘moreler’. Russell verbindt in zijn eerder genoemde boodschap voor de mensen van de toekomst kritisch denken met ethiek: we zullen moeten leven met dingen die we misschien liever niet willen horen. Daar zullen wij tolerant en met geduld mee moeten omgaan.
Het bracht de filosoof Habermas er toe een ‘discoursethiek’ te ontwikkelen, een ethiek voor het spreken met elkaar (Habermas, 2009). Doel van het spreken met elkaar is het komen tot overeenstemming. Dan is deelname aan het debat een voorwaarde. We spreken dus niet over elkaar, maar met elkaar. Het belang van zo’n ethiek is evident in deze tijd, waar meningen, ‘eigen’ feiten en verdachtmakingen het politieke domein beheersen en verzieken. Habermas pleit voor eerlijke, transparante en goed onderbouwde argumenten. Deelnemers aan een gesprek behoren bereid te zijn hun eigen mening onder kritiek te stellen en te relativeren, als er een beter argument wordt ingebracht. Uitgangspunt hoort te zijn, dat gesprekken verlopen volgens gespreksnormen, waarmee iedere deelnemer aan het gesprek kan instemmen. Er behoort openheid te zijn over de vormgeving van die normen en iedereen die betrokken is, behoort daarbij gelijkwaardig te participeren. Dat betekent dat we niet elkaar de maat nemen op overtuigingen. Tegelijk betekent het ook, dat de inrichting van de maatschappij ook niet gedomineerd kan worden door overtuigingen. Dus natuurlijk kunnen moslims en de paus en de atheïsten deelnemen aan het gesprek, maar hun overtuigingen zijn niet bepalend voor de gang van zaken. Dat zijn de spelregels die met elkaar zijn afgesproken. De vaststelling van de spelregels dient te gebeuren op rationele gronden. Dat behoort te gebeuren in wat Habermas noemt een ‘deliberatieve democratie’ van burgers die weloverwogen met elkaar in gesprek zijn. Dat is precies wat kritisch denken beoogt.
Er zit nog een ander aspect aan de verbinden van kritisch denken en ethiek. Dat is het antwoord zoeken op de vraag: doet iedereen mee? Heeft iedereen een stem in het gesprek. Worden niet hele groepen haast stelselmatig buitengesloten? Hebben vrouwen een stem, hebben vluchtelingen een stem, hebben armen een stem, hebben kinderen een stem? Als je kritisch denken serieus neemt en een gesprek echt waardevol wilt maken, moet er ook stem zijn voor stemlozen.
Dat is dus heel vaak niet het geval. Een indrukwekkend voorbeeld vind ik het verhaal van Eduard Louis (Louis, 2014). Hij vertelt in zijn autobiografische roman over de bittere armoede waarin hij opgroeit. En het speelt niet honderd jaar geleden, maar nu, in Europa. In een later essay over die tijd van tweederangs burgerschap vertelt hij over de manier waarover in zijn familie gesproken werd over het belang van wie er aan de macht was. De politiek bepaalde hoe hun leven eruit zag. ‘Toen Mitterand aan de macht was’, zei één van de tantes altijd, ‘hadden we tenminste biefstuk op ons bord’. Ze voelden zich beschermd, hadden een dak boven hun hoofd (NRC 7 juli 2017). Dat is precies wat Habermas bedoelt. Hele groepen, in dit geval armen, komen eigenlijk nooit aan het woord. Ze zijn totaal afhankelijk van mensen, die misschien hun belangen te behartigen. Zij hebben geen stem. Habermas pleit met zijn discoursethiek voor stem geven aan stemlozen. Iederéén behoort mee te doen.

Het samengaan van kritisch denken en ethiek speelt ook nog op een andere manier.
We kunnen niet naar feiten kijken zonder ook de context waarin die feiten plaatsvinden mee te wegen. Bijvoorbeeld: je kunt niet zomaar praten over economische groei als een op zichzelf staand feit. De cijfers, die aantonen dat er sprake is van economische groei houden bijvoorbeeld totaal geen rekening met de maatschappelijke kosten van die groei. Je kunt daarbij denken aan de afbraak van het milieu of de kwaliteit van het vlees dat geproduceerd wordt met behulp van antibiotica die op termijn heel slechte effecten zullen hebben. Zo’n feit kun je dus niet los zien van de context, de omgeving van het feit. Een ander voorbeeld van feit en context is deze oneliner, die de basis is van veel journalistiek: een brand met 3 doden in Zoetermeer heeft meer nieuwswaarde dan een boot met 100 mensen die vergaat voor de kust van Lampedusa. Zoetermeer immers is dichtbij en Lampedusa is ver weg. Beleving zit hier het belang van een feit in de weg. Dat stelt kritische denkers altijd voor de opdracht te kijken naar de betekenis en context van de feiten. Hoe wordt het feit beschreven en in welk kader wordt het gepresenteerd, welke belangen spelen daar en hoe beïnvloeden die belangen het interpreteren van de feiten? Daar zit de verbinding met het morele aspect. We hebben de dure plicht ons kritisch te verhouden tot wat als feit en waarheid wordt gepresenteerd. We moeten bereid zijn te analyseren en dóór te zoeken naar meer inzicht want niets is wat het lijkt.
Zelfs als we erg ons best doen om feiten te laten spreken buiten een context, lukt dat niet goed. Bijvoorbeeld wetenschappers die in het lab werken zoeken naar een experimenteeropstelling, die zo los mogelijk is gemaakt van de context. En ze stellen zichzelf de verplichting het onderzoek dat zij doen herhaalbaar te maken. Waarheid wordt dan gedefinieerd in termen van navolgbaarheid en controleerbaarheid van het experiment. Deze wetenschappers kunnen aangeven hoe het onderzoeksweggetje dat ze lopen in elkaar zit. Ze tonen aan dat de feiten die ze aanleveren ook controleerbaar zijn. Maar of daarmee de context is geëlimineerd is nog wel de vraag. In de proefopstelling misschien wel, in het maatschappelijk kader natuurlijk niet. Dat blijft door waarden en ideologie bepaald. Daar spelen vragen als: waartoe doen we dit onderzoek. Wie wordt er beter van, wie gaat eraan verdienen, draagt het bij aan de kwaliteit van het menselijk bestaan, is het gericht op de natuurbeheer of natuurexploitatie? Om maar een paar lastige vragen te stellen. Je ziet, het morele en het intellectuele zijn niet goed te scheiden.

Toen ik begon te schrijven aan dit hoofdstuk was het november 2015. En toen ik er ruim een jaar later aan verder werkte in februari 2017 bedacht ik me dat de dingen altijd weer gekker kunnen lopen, dan je dacht. Inmiddels is Donald Trump president van de Verenigde Staten. Als je hem wilt geloven kun je het hele verhaal hierboven direct bij de vuilnisbak zetten. Iedereen heeft volgens Trump recht op eigen feiten. Die heten ‘alternatieve feiten’ en je kunt onbekommerd een journalist met een onderbouwd verhaal als leugenaar wegzetten. Ik zet ertegenover: laat je niet gek maken, blijf zoeken naar de feiten, blijf vragen om definitie van de feiten en blijf de context van de feiten checken. Het is eerlijk gezegd de enige optie die je hebt… Trump gaat wel weer voorbij, maar ongetwijfeld komen er dan weer nieuwe Trumps.

ontwerp voor de omslag, gemaakt door mijn dochter Ida.Eén blij zwart schaapje gaat haar eigen weg. De andere schaapjes eten gras, dat bevordert de kuddegeest.  Kritische denkers zijn net als het zwarte schaapje: eigenwijs. 

 

in oktober 2017 verscheen mijn boek: Eigen wijs, kritisch denken in 33 lemma’s.